Home Veteranen

SCHEIDSEN ONDER VUUR!
Wat een ontgoocheling, zeg, als zo’n fluitvogel je geliefde voetbalwedstrijdje verknalt. Je duelleert, wordt getackeld, stort ter aarde en toch roept ‘ie luidkeels “doorspelen”. Voor menig speler het moment om hem publiekelijk de oren te wassen. Geen verontwaardigd gemopper “scheids, dat is toch..”. Nee, zo doen we dat niet meer. Tegenwoordig bewerken we die kwelgeest met ME-achtige middelen. Eerst zetten we de bestorming in, daarna de omsingeling en ten slotte braken we onze frustraties over hem uit. Desnoods de volle 90 minuten. Inmiddels zijn scheidsen geharnast tegen deze opgefokte stennismakers. Niet zeuren mannen ”spelregels zijn nu eenmaal onverbiddelijk. Je moet ‘t er maar mee doen”. Dat spelers op deze wijze berispt worden, deugt natuurlijk niet. Althans niet voor de supporter, die meer opheeft met een ontploffiguur op de grasmat. Die geeft tenminste aanleiding voor kwetsende speekkoren. Denk nu niet, dat we ‘t hiermee gehad hebben. Helaas zijn er ook coaches, die bij elk “verkeerd” fluitsignaal finaal door ’t lint gaan. Terwijl lijnlopers hun ongenoegen uiten door de vlag theatraal op de grond te smijten. Zo blijkt “goed voorbeeld doet goed volgen” ook bij hen op de schroothoop te liggen. Een andere categorie, die deze verontrustende trend omarmt, is de columnist. Zo schreef eens een locale schrijfpaap letterlijk: ”in negatief opzicht moet ik de scheidsrechter noemen. Ik weet zijn naam niet en dat is maar goed ook”. Als je zoiets leest, geloof je je eigen ogen bijna niet. Stel, dat hij hem wel had gekend, was die dan in huiselijke kring aangepakt. Eigenlijk verbaast die agressieve sfeer rond het voetbal mij niet. We worden er immers dagelijks mee geconfronteerd. En wat de samenleving aan onfatsoen ophoest, nestelt zich ook in de sport. Het is ’t bekende koekje van eigen deeg. Of bestuurders deze verloedering uit alle macht bestrijden, daarover graag een volgende keer.


ROET IN HET ETEN!
In mijn stukje ”scheidsen onder vuur” vroeg ik mij af of bestuurders wel krachtig genoeg optreden tegen al die vuilbekkerij rond het voetbal. Ter illustratie een oud artikeltje met ’t kopje “Boycot HC-Cup”. Daarin werden de clubs opgeroepen niet meer aan dit evenement deel te nemen. Dit vanwege de toenemende agressie op de velden. Hoewel dit initiatief aller steun verdiende, kreeg ‘t dit niet. Er ontstond de nodige commotie en wel uit de hoek van enkele zeurkeutelende bestuurders. Volgens hen waren zij er niet persoonlijk in gekend. Vraag dan hoe ’t zit, maar ga niet huilebalkend dwarsliggen. Het is toch toe te juichen, dat er serieuze pogingen ondernomen worden om die stuitende verloedering te stoppen. Of dat nu op persoonlijke titel of in gezamenlijk overleg gebeurt, alles is beter dan dat laffe struisvogelconcept. Uiteindelijk hebben die gênante egotrippers de zaak opgeblazen. Deze mislukte actie schoot een getergde voorzitter uit ’t Haagsche in ’t verkeerde keelgat. Hij stelde voor een competitie uitsluitend voor “nette” clubs op te zetten. Daar komt geheid gedonder van was mijn eerste gedachte. En jawel hoor, in lange rijen loosden die notoire zuurpissertjes hun kritiek. Aan welke criteria moet men dan voldoen en veroorzaakt zo’n aanpak geen tweedeling, was hun drie maal niks vraag. Gewoon al die wangedrochten uit je ledenbestand schrappen en je hoort erbij, lijkt mij. Tevens opperde hij om dat agressieve gedrag ook bij de jeugd aan te pakken. Wat hem betreft worden al die giftige jeugdspelers, die de goede naam en faam van de club moedwillig bekladden, met een grote boog buiten ’t hek gedeponeerd. Gelukkig zijn er al verenigingen, die hun jeugdbeleid hierop toespitsen. Zo besloot o.a. de Christelijke Voetbalclub met de toepasselijke naam S.K.V.W. ofwel Sport Kweekt Vriendschap Winterswijk zijn A1 elftal wegens herhaald wangedrag uit de competitie te nemen. Ondanks dit lik op stuk beleid was de voorzitter van mening, dat ook scheidsrechters hier debet aan zijn, hun optreden is niet kordaat genoeg. Gedeelde schuld is halve schuld, zal deze bestuurder gedacht hebben. Helaas blijkt deze mentaliteit ook binnen onze gelederen steeds meer op te rukken. Wat te denken van ouders, die hun pupil ondersteunen door de man in het zwart constant te beschimpen. Of van een bordes supporters, dat elk “verkeerd“ fluit- of vlagsignaal met bizarre opmerkingen begeleidt. En zo blijven we met z’n allen om de hete brei heendraaien, terwijl de oplossing zo voor de hand ligt.
2009: In de afgelopen weken werden er weer wedstrijden uit het AD/HC-cup toernooi gestaakt vanwege verbale uitingen van spelers en/of trainers ten opzichte van de scheidsrechter van dienst. Zowel GDA (zo)-DHC als Scheveningen (zo)-BSC ’68 werden voortijdig afgeblazen. De betrokken verenigingen en individuen wasten hun handen weer eens in onschuld, er was niets gezegd of, ja er was wel wat gezegd, maar om daar nu de wedstrijd voor te staken?


CLUBLIED AFC
In onze goede Amstelstad
Is lang geleén geboren
Een nietig clubje, echter dat
Veel vreugd’ en leed ons heeft beschoren.
Drie letters slechts telt hare naam,
Voor ons meer waard dan woorden,
Want A.F.C. haar naam heeft faam
Van Oost naar West, van Zuid naar Noorden.
Ik heb U lief, mijn A.F.C.,
Gij telt in aller harten mee;
Uw naam is mij een schoon symbool
Van goede geest, sportieve jool.
Te spelen onder uw banier
Is mij een eer en een plezier;
Al word ik oud, mijn geest blijft fit,
Omdat ik A.F.C. bezit!
Wij allen dienen onze club,
Als plichtsgetrouwe mannen,
Eens worden wij weer ‘runners-up’,
Jan Salie wordt voor goed verbannen.
Wij allen zweren eeuwig trouw
En zullen niet versagen,
Want wat ook ooit gebeuren zou,
Wij blijven fier ons ROOD-ZWART dragen.
Ik heb U lief, mijn A.F.C.,
Gij telt in aller harten mee;
Uw naam is mij een schoon symbool
Van goede geest, sportieve jool.
Te spelen onder uw banier
Is mij een eer en een plezier;
Al word ik oud, mijn geest blijft fit,
Omdat ik A.F.C. bezit!


HET ONTSLAG!
Net als hij na de zoveelste nederlaag ontgoocheld het clubhuis wil verlaten, blokkeert de voorzitter zijn vluchtweg. ”Jij blijft onze trainer!” bijt hij hem toe. Die is stomverbaasd. Met de handen diep in de zakken van zijn gesponsorde coachjack haalt hij de schouders op en zegt berustend: ”Het heeft geen zin meer”. Dan doemt achter de brede rug van de preses het zuinige gezicht van de penningmeester op. Het financiële brein van de club doet een poging vriendelijk te glimlachen, maar komt niet verder dan een grimas. In zijn ene hand rammelt hij met de geldbuidel; de andere omklemt het snoeimes in de zak van zijn colbert. De trainer begrijpt er niets van. Tien minuten geleden accepteerde men nog zijn ontslag. En nu dit? ”Wij staan allemaal achter je. Kijk maar” galmt de voorzitter. De trainer draait zich om en zijn mond valt open van verbazing. Ze staan inderdaad allemaal achter hem in de plotseling bomvolle kantine. Hoe kan dat? Zojuist was er nog niemand? Geschrokken deinst hij terug. De voorzitter sluit de buitendeur. De trainer kan geen kant meer op. Schichtig kijkt hij naar de rond een tafel geschaarde selectiespelers en elftalleiders. Ze lachen en roepen: ”Wij staan achter je!”. Even verderop begint een groep supporters spontaan te applaudisseren. ”Kom op! We blijven je steunen!” hoort hij. Aan de stammtisch zit de vijfde colonne. Ze heffen het glas en smeken: ”Laat ons niet in de steek! Wat moeten wij zonder jou?!” Nadat de breed lachende barmedewerker de zojuist geleegde glazen weer volschenkt, tuimelt hij met een angstige kreet omlaag en vindt zichzelf terug naast zijn bed.

 
DE SPARTA MARS!
Rood wit is onze glorie, rood wit zit ons in het bloed,
bij neerlaag of victorie, bij voor of tegenspoed
rood wit gaat nooit verloren, en jaren nog hierna
zullen wij laten horen S-P-A-R-T-A
Dééz vlag ze is ons heilig, reeds tal van jaren lang,
bij rood - wit zijn wij veilig, zijn wij voor niemand bang,
wij zweren bij die kleuren en zingen hoe ’t ook ga
bij wat ook moog gebeuren S-P-A-R-T-A
 
HET STRAATVOETBAL!
Vele decennia geleden was er nog volop ruimte om op straat te voetballen. Daarnaast werd ook op braakliggende stukjes grond gespeeld. In mijn buurt was dat een driehoekig veldje vol kuilen. Al snel werd het omgedoopt tot Kleidijk vanwege de bovenlaag van klei. Was de ”grasmat” onbespeelbaar, dan zochten we ons heil weer op straat. In de loop van de jaren varieerde de bal van klein tot groot, van rubber tot plastic, van varkensblaas tot leer en van keihard tot half lek. Bijna dagelijks na schooltijd werd een ”metsie” gespeeld met een mix van jeugdspelers van het gefuseerde BEC, Full Speed en DHC. Zaterdags waren we regelmatig tegenstander; in de week voetbalden we niet alleen tegen, maar ook met elkaar. De teams bestonden uit vier- of vijftallen. Wie tegen wie, dat maakten de aanvoerders uit. Die werden niet gekozen, maar wierpen zich als zodanig op volgens de ongeschreven wet van ”de pikorde”. Ze ”tossten” door middel van ”het poten”. Daarbij naderden ze elkaar over een afstand van anderhalve meter door om de beurt de ene voet voor de andere te zetten. Degene, die het gat dichtte had verloren. De winnaar mocht de eerste medespeler kiezen. Krabbelaars bleven het langst staan, maar wilden dolgraag meedoen. Al was het maar als ”vliegende keep”. Niet altijd prettig op straat. Kwam de krabbelaar in balbezit, dan werd hij geacht de bal weer snel ”af te spelen”. De erkende vedetten mochten ”pielen” met de bal. Het balletjes afwachten en dan scoren was niet populair bij de tegenspelers. Een bal, die hoog tussen de als doelpalen fungerende jassen zeilde, leverde de nodige discussies op. Was de bal nu wel of niet over de denkbeeldige lat gegaan? Voetballen en praten gingen ook toen al samen. Een bal over de achterlijn zorgde eveneens voor een debat: doelschop of penalty? Want driemaal corner was wel een pingel. Het straatvoetbal is vrijwel verdwenen. Er zijn nu speciaal aangelegde trapveldjes en Cruijff Courts, met hun eigen regels. Zou ”driemaal corner is pingel” nog bestaan?


BALLETJE HOOGHOUDEN!
Bewegen is niet alleen goed voor het lichaam. De Universiteit van Dublin heeft uitgezocht, dat ook de hersenen er baat bij hebben. Door de lichamelijke inspanning komt een eiwit vrij, dat nieuwe hersencellen vormt en de verbindingen daartussen. Tevens bevordert het de overlevingskans van hersencellen. Door simpelweg regelmatig ”het balletje hoog te houden” worden evenwicht, coördinatie en concentratie getraind. Deze oefening met de bal zorgt voor aanmaak en onderhoud van hersencellen. Uit proeven is gebleken, dat iemand, die regelmatig het balletje hoog houdt, handiger omgaat met het verwerken van visuele informatie zoals het inschatten van afstanden. Logisch om te veronderstellen, dat veel jongleren met de bal dan ook de zuiverheid van het passen verbetert. Ook ontdekte men, dat het inzicht wordt vergroot. Zou jongleren dan ook het ”lezen van de wedstrijd” bevorderen? Allemaal prachtig, maar er wordt ook beweerd, dat het veelvuldig koppen van de bal slecht is voor de hersenen. Doen kopoefeningen, na het hooghouden van de bal, de positieve effecten daarvan weer teniet? Toch opent de uitslag van het onderzoek nieuwe mogelijkheden voor trainers. Stel je prijs op een intelligent elftal, dat inzicht combineert met fysieke kracht en techniek, geef dan veel baloefeningen, die coördinatie, gevoel voor evenwicht en concentratie vereisen. Een variant van het ”balletje hooghouden” is het balletje tegen de muur trappen, een soort squash met de voeten. Zij het, dat dan ook de lichamelijke conditie wordt getraind. Zouden denksporters - bijvoorbeeld dammers, schakers en bridgers - ook niet veel meer aan lichaamsbeweging moeten doen? Bijvoorbeeld jongleren met een voetbal tussen de zetten door? Het stimuleert de hersencellen en de aanmaak daarvan en vergroot daarmee de kans op een briljante ingeving. Aan de andere kant zou een partijtje dammen of schaken het brein van voetballers kunnen scherpen. Iets meer spelinzicht is nooit weg. Misschien, dat er dan minder geklaagd zal worden over de ’eenheidsworsten’ zonder creativiteit, die tegenwoordig de voetbalvelden bevolken. Hoe vaak klagen de ouderen onder de toeschouwers niet, dat er vroeger veel meer slimme voetballers rondliepen. Zouden er toen meer trainers zijn geweest, die het ”balletje hooghouden” hoog hadden zitten? Zeker is, dat bewegen goed is voor het brein. Dat tijdens het spelen van een voetbalwedstrijd hersencellen worden aangemaakt. Als er tenminste niet te veel gekopt wordt. En wanneer de ”derde helft” niet te uitbundig is. Anders worden weer heel wat hersencellen afgebroken door de drank, zodat er per saldo na een dag sporten niets is veranderd.


ENGLISH STYLE!
Voetbalschoenen heetten ooit kicks. Al dan niet voorzien van stalen neuzen onder het leer werd er soccer ofwel voetbal mee gespeeld. In een elftal waren de posities niet alleen anders verdeeld, ze werden ook omschreven met Engelse namen. Een vleugelverdediger heet ook nu nog wel back, maar toen had je ook half back. De man, waar het spel veelal om draaide was de center half. In Nederland noemde men hem de (aanvallende) spil, die later een meer behoudende rol kreeg als stopperspil en nu centrale verdediger wordt genoemd. Een populaire positie was die van centervoor, want dan had je kans om goalgetter te worden. Echte cracks scoorden regelmatig een hattrick al dan niet onvervalst. De goalie of goalkeeper stond onder de lat om, al dan niet met een fraaie save, te verhinderen, dat de centervoor van de tegenpartij met een header of shot zou scoren. Wel moest de antieke goaltjesdief opletten, dat hij - al dan niet na een snelle rush - geen offside liep. De player, die hem in scoringspositie bracht deed dat vaak met een pass. Tegenwoordig heet dat assist. Naast een topscorerklassement is er inmiddels ook een ranglijst met verzorgers van de assist. Een match begon met een kick-off, nadat er was getosst. Het balbezittende team combineerde door middel van shortpassing afgewisseld met crosspasses. Balverliefde spelers zetten een dribble in alvorens over te spelen, maar liepen daarbij wel het risico te worden getackled. Gebeurde dat op een ongeoorloofde manier in de penaltybox, dan leverde dat een penalty op. Die werd ook gegeven bij een handsbal van een defender. Daarbuiten was het een freekick. De man, die daarover besliste, had de leiding en heette referee. Bij een voorsprong werden geen risico’s meer genomen en was het safety first. Al kostte dat soms veel corners. En die leverden nog wel eens een scrimmage op, die we nu kennen als de doelworsteling. Populair in de oertijd was het kick and rush voetbal. Tegenwoordig zou men op zijn Hollands zeggen: boerenkoolvoetbal. Of dat werd gespeeld, bepaalde niet de trainer. Die was namelijk vooral trainer en geen coach. De tactiek werd tijdens de match bepaald door de captain al dan niet gesouffleerd door de voorzitter. Soms werd er countervoetbal gespeeld, maar attacking was populairder dan het nu wel eens is. Dat geldt ook voor fairplay. Een Nederlandse uitdrukking, die je niet meer hoort is ”doodschop om een hoekie”. Niets meer en minder dan een cross vanaf de wing of een corner”, die hard en hoog voor de goal komt. Wat toen nog niet bestond was de warming-up. Evenmin als de cooling-down op het veld. Die werd afgewerkt in de kantine.

 
WILLEM JONGELEEN!
In de categorie “Legendarische Concordianen” hoort deze voormalige terreinknecht beslist thuis. Een bokkig type, dat wel, maar met een hart van goud. Vanaf zijn aanstelling in 1925 tot aan zijn dood immens trouw aan zijn cluppie, dat hij te vuur en te zwaard verdedigde, zelfs tijdens de oorlogsjaren. In deze periode bivakkeerde hij op ’t veld, at paardenkoeken, om de Concordia eigendommen tegen houtrovende Delftenaren te beschermen. Dankzij hem bleven clubhuis, tribune en doelen gespaard. Eigenlijk waakte hij over alles wat naar “Concordia” rook. Hoewel zijn spiedend oog soms te overdadig registreerde, accepteerde men zijn “bemoeizucht”. Dit dankte hij aan zijn noeste inzet voor de club. Of ’t nu ging om ‘t maaien van ‘t gras, ’t trekken van kalklijnen, ‘t ophangen van netten, ’t oppompen van ballen, ’t verzorgen van de thee, ’t beheren van de bar of ’t verjagen van graszaadpikkend gevogelte, niets was hem teveel. Een soort manager, die bij afwezigheid van zijn grote baas en toeverlaat Doc Thomée ‘t gezag onmiddellijk overnam. Vooral junioren hadden zich hieraan te onderwerpen. Zo moesten zij bijna op de knieën om hem een bal te ontfutselen. Maar heel soms verscheen hij er ongevraagd met één om een partijtje met hen te spelen. De rollen waren dan duidelijk omgedraaid. Want Willem had extreem kromme benen, die uitnodigden om veelvuldig “gepoort” te worden. Hoewel zijn bonkig postuur niet direct een sportman in hem verraadde, was hij dat wel. Zijn favoriete discipline was ’t wielrennen, waaraan hij veel geld spendeerde. Volgens Willem was dat nodig om met de besten mee te kunnen. Hoewel zijn fiets top was, finishte hij veelal toch als laatste. In deze speelde vooral zijn gebrekkige parcourskennis hem parten. In het ergste geval arriveerde hij aan de meet, terwijl publiek en officials al waren vertrokken. Ook was Willem vaak stand-in voor menig Concordia tennisser, die op de naast ons ”Laantje van Altena” veld gelegen DTC baan tevergeefs op zijn partner wachtte. Afgezien van zijn nukken was Willem een aimabel mens. Maar nam je hem in de maling, dan veranderde hij in een wrokkig typetje. Zo had hij een grondige hekel aan alles wat tegenstander was. Vreemd was dat niet. Eens hadden enkele DHCers zijn draagstok vol Concordia koffers een stukje ingezaagd. Bij ’t oppakken rolde zijn ”heiligdom” onder grote hilariteit over de straat. Daarna was elke opponent een “rotter”, die hij subiet naar het “rottershok” verwees zoals hij de bezoekerskleedkamer voortaan noemde. Dat Concordia veel aan Willem Jongeleen te danken heeft gehad, is evident. Triest is dan te bemerken, dat de beeltenis van deze markante figuur van dat richeltje links boven de bar is verdwenen.


De Graaicultuur!
Onder de persoonlijke tactiek van een voetballer valt ook het onderdeel: Hoe pak ik mijn directe tegenstander aan. Inmiddels kan beter worden gesproken over: Hoe pak ik mijn directe tegenstander vast. Werden ooit vooral spitsen op deze manier gepakt, inmiddels weten die ook van aanpakken. Het achteruit leunen tegen de verdediger en net voor het weglopen even de elleboog in zijn maag of ribben zetten, dat gebeurt al langer. Een zwaaiende vuist of elleboog in het gezicht planten is meer van recente datum. Er zijn ook spitsen, die hun bewaker achterwaarts omarmen. Vervolgens haken ze hun vingers in de stof van zijn shirt of broekje. En dan roepen om ”ín de dekking” aangespeeld te worden. Betere omschrijving lijkt: ”tijdens de dekking”. Want deze spits wil de bal aangespeeld krijgen, terwijl hij intiem is met zijn tegenstander. Wanneer de bal in hun richting wordt gespeeld, zie je deze Siamese tweeling, maar niet eender gekleed, vaak langzaam, maar vooral ”close naar de grond zakken”, terwijl de bal langs hen heen rolt of stuitert. De scheidsrechter fluit voor een vrije schop, want er gebeurt iets, dat niet klopt. Hoewel de goede man absoluut niet weet wat er nu precies aan de hand is. Hij wijst maar een kant op en iedereen moet hem geloven. Waarna de twee ”rivalen” elkaar omhoog trekken en het afmaken met een handje. Als bewijs van het even eerdere intieme samenzijn hangt bij beiden het shirt uit het broekje, waarvan het elastiek inmiddels ergens halverwege het dijbeen floddert. Net voordat een hoekschop wordt genomen, zie je in het strafschopgebied ook allerlei vormen van omhelzingen. Echter niet als uiting van gesloten vriendschappen. Dat geldt ook voor de moderne kopduels. Daar geldt als vuistregel: gaan voor de bal én tegenstander. De beste koppers hebben het achter hun ellebogen. Ik kan me nog herinneren dat het meest ”smerige” bij kopduels het afzetten op de tenen van de tegenstander was. Terug naar het graaien en grabbelen aan de voetbaltenues. Wat doe je er tegen? Een lekker strak shirt van glimmend glad materiaal? Een naar de lichaamsvorm gegoten allesomvattend broekje? Het shirtje trekken en aan broekjes sjorren, zou heel wat moeilijker worden, zo niet onmogelijk. Een aantal jaren geleden droegen de spelers van MVV nauw sluitende glimmende shirts. Het werd geen succes, want het dragen daarvan leverde te veel krapteproblemen op. De materialen van de huidige tenues moeten overigens wel van een bijzonder kwaliteit zijn. Gezien het aantal keren, dat het rekvermogen wordt getest, valt de schade alleszins mee. De grootste grabbelton is nog altijd het muurtje. Daar wordt traditioneel al jarenlang gegrepen naar alles wat in de buurt komt, met als favoriete bezigheid het ”kruisgraaien”.

 
Het Rouwproces!
Het voetbalspel kent diverse spelhervattingen. Bijvoorbeeld de aftrap na een doelpunt of als begin van de tweede helft. Niet de beginaftrap, want dan wordt de bal aan het rollen gebracht om het spel aan te vatten en niet om het te hervatten. Spelhervattingen ofwel standaardsituaties heb je ook na een overtreding (vrije trap), wanneer de bal over de zijlijn verdwijnt (ingooi) of als de bal over de eigen achterlijn wordt gewerkt (hoekschop). Een minder vaak, maar toch regelmatig voorkomende spelhervatting is de ”scheidsrechterbal”. Het is de enige spelhervatting, die wordt uitgevoerd door de arbiter, die ook voor de onderbreking heeft gezorgd door af te fluiten op een moment, dat ”de bal in het spel” is. Met die ingreep neemt de scheidsrechter actief deel aan het spel en neemt hij ook de spelhervatting voor zijn rekening. Tachtig jaar geleden werd de scheidsrechterbal uitgevoerd door middel van een opgooi, vandaar dat er lang werd gesproken van een ”opgooibal”. Later moest de leidsman de bal naar beneden werpen en toen sprak men van een ”stuitbal”. Uiteindelijk rolde er een compromis uit de bus. De scheidsrechter laat de bal nu vanaf borsthoogte loodrecht naar beneden vallen, tussen twee tegenstanders in, die er vervolgens om duelleren (de bal moet eerst de grond hebben geraakt), niet zelden met een overtreding als gevolg. En dat betekent de volgende spelhervatting: een vrije trap. Wanneer de scheidsrechter met een fluitsignaal het spel onderbreekt, is de periode tot aan de spelhervatting een zogenaamd ”dood moment”. Het rouwproces, tussen het moment, dat het spel dood ligt en weer tot leven komt via een spelhervatting, varieert in tijd. Het hangt er maar vanaf wie de spelhervatting moet uitvoeren. Een elftal, dat op achterstand staat, heeft haast en is niet rouwig om de vrije trap. Het team, dat een voorsprong heeft en het spel moet hervatten, treurt lang na over het dode spelmoment, daardoor traag van begrip en lang op zoek naar de juiste plek om de rouw te verwerken. Ook al is de plaats, waar het spel weer leven moet worden ingeblazen uiterst precies aangewezen door de scheidsrechter. De spelhervatting, die zich het best leent om tijd te rekken, is de doelschop. Deze ontstaat, omdat de aanvallende partij er niet in is geslaagd om tijdens de afwerking (schieten, koppen) het doel te vinden. De bal verdwijnt naast het doel en moet door de keeper of een veldspeler met een trap weer in het spel worden gebracht. Heeft de doelschopnemer geen haast vanwege de gunstige tussenstand, dan zijn er vele manieren om de vertragingstactiek vorm te geven. Bijvoorbeeld door de aanloop een paar keer opnieuw te doen of door de bal een keer of vijf goed neer te leggen. Dan nog even met de schoenzolen tegen de doelpaal tikken om vervolgens het dode spel weer leven in te blazen door de bal met een ferme trap richting middenlijn te sturen. Dichterbij is er geen afspeelmogelijkheid, want op zo’n moment zijn verdedigers als de dood om zich aan te bieden, de fout in te gaan en hun ploeg alsnog in rouw te dompelen.

 
E.K. DESTIJDS - De Zwarte Octopus!
10 juli 1960. In het Parc des Princes te Parijs wordt de finale gespeeld van het 1e. Europese Kampioenschap voor landenteams. Tegenover elkaar staan de elftallen van Joegoslavië, ook wel Zuid Slavië, en van de Sovjet Unie, vaak ten onrechte Rusland genoemd. Er zitten bijna 18.000 toeschouwers. Peanuts vergeleken met het aantal van 100.752, dat in de voorronde de tribunes bevolkte van het Centraal Stadion in Moskou bij het duel Sovjet Unie - Hongarije. De finale in Parijs staat onder leiding van de Engelse arbiter Ellis. De Sovjets hebben de finale bereikt met volle medewerking van Spanje. Het EK werd toen tot en met de kwartfinales nog gespeeld met een thuis- en uitwedstrijd. Generaal Franco, dictator van Spanje, had geweigerd de Spaanse spelers een uitreisvisum naar de Sovjet Unie te verstrekken. De reden daarvoor is de inbreng van de Sovjets in de Spaanse burgeroorlog. Sport en politiek komen elkaar dus toch ooit wel eens tegen. De laatste vier spelen de halve finales en finale in Frankrijk. Joegoslavië verslaat het gastland, vice-wereldkampioen en dus favoriet, met 4-5 na een 4-2 achterstand. In het laatste kwartier scoren de Joegoslaven drie doelpunten binnen 4 minuten. De Sovjet Unie komt in de finale na een 3-0 zege op Tsjecho-Slowakije. Eigenlijk worden de Sovjets overlopen door de Tsjecho-Slowaken, maar doelman Lev Yashin is niet te passeren. Ook in de finale speelt hij een hoofdrol. Joegoslavië is beter, maar komt niet verder dan 1-1, omdat Yashin slechts eenmaal capituleert. In de verlenging schiet Victor Ponedelnik de Sovjet Unie naar een 2-1 zege. Maar het zijn vooral de keeperkwaliteiten van de dertigjarige Yashin, die de doorslag geven. Hij maakt zijn bijnaam van ”De Zwarte Octopus” waar. Yashin lijkt namelijk te zijn uitgerust met acht armen en benen. Zonder zichtbare moeite haalt hij met zijn sprongkracht de verste hoeken van het doel. Ook deze keer is de doelman van Dynamo Moskou in het zwart gekleed. Vandaar zijn andere bijnamen: De Zwarte Tijger en De Zwarte Spin. Gefrustreerde tegenstanders hebben het over zijn grote handen en lange armen, waarmee hij boven zijn strafschopgebied als het ware een web weeft, waarin alle ballen worden gevangen. Yashin houdt tijdens zijn imposante loopbaan in 270 wedstrijden de nul vast. Ook strafschopnemers hebben het niet gemakkelijk als ze oog in oog staan met De Zwarte Octopus, die er in slaagt 150 penalty’s te stoppen. Yashin wordt in 1963 uitgeroepen tot Europees Voetballer van het jaar. Het geheim van zijn succes?  ”Voor de wedstrijd steek ik eerst een sigaret op om de zenuwen te kalmeren. Daarna sla ik een glas wodka achterover om de spieren op te warmen”. In de jaren zeventig wordt bij hem een been afgezet wegens trombose. Hij sterft 1990 op 61-jarige leeftijd aan maagkanker.

 
WEL OF GEEN MUUR!
”Muurtje’’ schreeuwt een doelman meestal, wanneer zijn elftal rondom het eigen strafschopgebied een vrije trap tegenkrijgt. Hij steekt een aantal vingers op en de veldspelers weten hoeveel van hen vriendelijk, doch dringend worden verzocht met elkaar in het gelid te gaan staan als een levende muur. Onder het motto van ”jij liever dan ik” kijken ze elkaar eerst even aan, alvorens de opdracht van de keeper uit te voeren. Intussen meet de scheidsrechter met grote passen de juiste afstand tussen de plek, waar de vrije trap wordt genomen en waar het muurtje moet staan. Die wordt met veel omhaal neergezet aan de hand van instructies, die door de doelman gebarend en roepend worden doorgegeven aan de speler op een van de hoeken. Die staat met zijn gezicht naar het eigen doel. Al luisterend sjort hij aan de muur tot ’ie volgens de keeper goed staat. Nu wil de ene doelwachter al een muurtje bij een vrije trap op dertig meter, de ander pas op twintig meter en een enkele lefgozer daagt de tegenstander uit door helemaal geen muur neer te zetten. Dat is meestal een routinier, die weet, dat schutterskwaliteiten schaars zijn als gevolg van niet uit te roeien faalangst. Let maar eens op, als bij een vrije trap op verder dan twintig meter de tegenstander de muur achterwege laat, volgt zelden een rechtstreekse doelpoging. Want de schutter, die over of naast schiet als er geen muur staat, krijgt hoon over zich heen. Dus wordt de bal dan maar hoog in het strafschopgebied gepompt of bij iemand in de voeten gespeeld. Weer tot onbegrip van supporters, die een pegel op het hok verwachten. Overigens komt een keeper, die niet angstig om een muurtje smeekt, in een goed blaadje te staan bij zijn medespelers. Want welke voetballer maakt graag deel uit van een muurtje? Het aantal vrijwilligers is beperkt. Geen enkele weldenkend mens heeft trek om als schietschijf te worden gebruikt alleen maar om zo’n doelman een plezier te doen. Bovendien staat het vizier van veel vrije trapspecialisten niet altijd goed afgesteld. De spelers tegenover hem voelen zich dan ook vooral tégen de muur gezet. Het minste risico op lichamelijke schade bestaat, wanneer de vrije trapspecialist iemand is met een fluwelen schot. Die mikt altijd wel over de muur, daarna vaak over het doel; soms op het doel en bij uitzondering in de kruising. Het is link, wanneer de vrije trap wordt genomen door iemand met een zogenaamd snoeihard schot in de benen. Wanneer hij zijn aanloop neemt, veranderen de mannen tegenover hem in een klaagmuur. De daarop volgende daverende knal - vaak met de ogen dicht en op goed geluk - kan verwoestingen aanrichten in die muur, op diverse hoogtes. Niet zelden schiet hij de bibberende wand letterlijk aan flarden. Restanten blijven soms roerloos op het gras liggen. Begrijpelijk dus, dat de doelman, die het muurtje overbodig vindt, uitermate populair is bij de rest van het elftal. De vraag blijft: wel of geen muurtje? De oplossing is nog niet gevonden, dus zullen zowel veldspelers als keeper voorlopig met die vraag tegen het muurtje aan blijven lopen.

 
IS KEEPEN EEN ROEPING?
Volgens de kenner heb je ”geboren” en ”gemaakte” keepers. De eersten krijgen hun talent uit de wieg mee. Terwijl de tweede categorie een bepaald niveau bereikt door keihard te trainen. Een natuurtalent heeft het voordeel, dat een blunder vaak wordt afgedaan als een slippertje. ,,Hij heeft zijn dag niet’’, is dan de uitleg. Fouten van een gemaakte keeper vergroot men uit. ,,Zie je wel, hij heeft het niet’’, roept men al snel. Van geboren goalies beweert men wel, dat ze het verdedigen van het doel als een roeping zien. Maar, door wie worden ze dan geroepen? De hogere machten houden zich beslist niet met voetbal bezig. In mijn jeugd, toen er nog op straat werd gevoetbald, voelden weinigen ervoor om als schietschijf tussen twee stapels jassen te acteren. Degene, die daartoe werd opgeroepen was meestal de zwakste, de kleinste of de jongste. Want ook op straat werd de schuld van een tegendoelpunt bij voorkeur op de keeper afgeschoven. Dan was het mooi meegenomen als er weinig weerwoord kwam. Toch bedankten zij zelden voor de eer. Het was een manier om er bij te horen. Als je het lang genoeg volhield, dan kwam vanzelf de kans om ”veldspeler” te worden, zodat weer een ander kon opdraaien voor kapotte knieën en ellebogen. Natuurlijk zijn er altijd jeugdigen met de innerlijke drang om keeper te worden. Ze verschijnen veelal in een dure outfit met aparte handschoenen voor droog weer, als het regent en voor iedere soort bal. Kennelijk voelen die zich geroepen, maar slechts zelden worden ze later uitverkoren. Veel keepers komen bij toeval onder de lat terecht. Meestal dankzij de willekeur van trainer of jeugdleider. Toen ik lid werd van Concordia bepaalde mijn toenmalige jeugdleider Wim Schuijtvlot in zijn wijsheid, dat ik als rookie maar tussen de palen moest gaan staan. Men zei later, dat ik enige aanleg had. Maar ik heb me nooit geroepen gevoeld. Bovendien, geboren keepers zijn ook gemaakt en gemaakte keepers worden gewoon geboren.


  BRANDHOUT!
De eerste clubhuizen en kleedkamers waren houten keten. Later zag je fraaie houten kantines. Ze worden schaars. Op de nieuwe sportcomplexen domineert baksteen, beton en kunststof. Ook rondom de velden zie je steeds minder hout. Het enige hout buiten de lijnen is dat van de reclameborden, in diverse voetbaltempels verdreven door de moderne techniek. Tribunes, ooit timmerwerk van vakmensen met gevoel voor romantiek, worden vervangen door koude, stenen skeletten met kunststof overkappingen en kuipstoeltjes. De houten banken sterven uit. Vroeger werden in de grotere stadions zitkussentjes aangeboden, die je voor de duur van de wedstrijd kon huren. Zeer bruikbaar om na afloop naar het hoofd van scheidsrechter en tegenstander te gooien, zonder dat die beschadigd werden. Verongelijkte wisselspelers nemen allang niet meer plaats op de houten kussenloze reservebank in de open lucht. Al jaren zitten ze overdekt. Aanvankelijk in een houten dug-out, inmiddels zijn dat riante onderkomens van steen of kunststof. De zitbank maakt in rap tempo plaats voor kuipjes of comfortabele autostoelen. Alleen het stuur ontbreekt nog. Op het veld zijn de vierkante houten doelpalen en doellatten historie geworden en vervangen door stangen van aluminium. De kreet ”we spijkeren het doel dicht” kan niet meer en moet nu luiden: ”we lassen het doel dicht”. Toch wordt er nog altijd gesproken van een schot ”op de paal” of ”tegen de lat”. Terwijl in het woordenboek de paal omschreven wordt als een langwerpig stuk hout en de lat als een lang, smal, dun stuk hout. Doelverdedigers klagen al jaren steen en been, dat de engeltjes niet meer op de lat zitten. Valt ook niet mee op zo’n smal rond pijpje aluminium. Ook de cornervlag is niet meer van hout en inmiddels een onbreekbare, naar alle kanten buigende stok. Tussen de lijnen lopen allang niet meer door trainers in elkaar getimmerde elftallen. Het zijn nu door hen via teambuilding gesmede teams. Toch vreemd, dat ontevreden toeschouwers het nog altijd hebben over een ”zootje brandhout” in plaats van ”een roestbak. Hout zit echter gegrift in het collectieve geheugen van de voetballiefhebber, want nog altijd wordt een te egoïstische speler verweten dat hij ”alles op zijn eigen houtje” doet. De oudere fan is er van overtuigd, dat de huidige voetballer niet uit hetzelfde hout is gesneden als die van vroeger. Toen wisten ze van wanten en werd er nog gevoetbald op een manier door hen omschreven als ”van dik hout zaagt men planken”.

 
DE DONDERSPEECH!
Wordt na ’het schelden’ de donderspeech het volgende taboe? Dan krijgen veel trainers een probleem. De meesten hebben een of meerdere in hun hoofd en die schudden ze uit hun mouw, wanneer dat nodig is. Soms komt die er al uit vóór de wedstrijd, meestal dondert het in de rust. Met de kanttekening, dat in een donderspeech met kwaliteit vloeken of het toewensen van enge ziektes niet voorkomt.  Een door de wanprestatie van het elftal spontaan opgeborrelde peptalk komt echt over, bevat nette krachttermen en een vleugje schuttingtaal. Vroeger heette zo’n ferme toespraak bij RK-clubs een donderpreek, waarvoor desnoods de geestelijk adviseur in de kleedkamer verscheen. In het zaterdagvoetbal werd ooit hel en verdoemenis gepredikt vanuit de bijbel. Na zo’n preek gingen de spelers het veld op in de overtuiging, dat ze zich in de vorige wedstrijd of in de eerste helft als zondaars hadden gedragen. En met het heilige voornemen dat goed te maken, maar dat is allemaal lang geleden. Nog altijd is het doel van een donderspeech het elftal optimaal te motiveren. Het duidelijk maken, dat bij een voortdurende wanprestatie een fikse straftraining volgt, helpt ook wel eens. Wanneer de spelers na de eerste helft beseffen, dat ze bezig zijn om er met de pet naar te gooien, komen ze doodstil de kleedkamer binnen, gaan zitten en maken zich zo klein mogelijk. De thee wordt voorzichtig ingeschonken door de elftalleider. Hij gaat rond met de bekertjes, waarbij in gebarentaal over en weer duidelijk wordt gemaakt of het thee met of zonder suiker wordt. Het meestal te hete vocht wordt voorzichtig, zacht slurpend en in gepeins gedronken. Inmiddels doet de verzorger fluisterend zijn werk, plakt onhoorbaar pleisters, masseert geluidloos en geen speler, die hardop ’au’ durft te zeggen. En de trainer? Die ijsbeert, kijkt boos nadenkend en wekt de indruk, dat hij het allemaal in de hand heeft. Een ervaren trainer doet daar zo’n vijf tot zeven minuten over, zonder iets te zeggen. De stilte wordt ondraaglijk, de spanning om te snijden. Starend naar het plafond of vloer, trekkend aan hun veters of het hoofd steunend in de handen, beginnen de spelers te verlangen naar de verwachte uitbarsting. Die begint kalm. De trainer bedankt de jongens voor hun aanwezigheid, wijst een of twee zondaars aan, die gewisseld worden en barst dan los. De spelers veren op. Dìt hebben ze nodig! Ze willen verbaal keihard aangepakt worden. En de trainer haalt zijn gram, scheld er op los, dreigt met impopulaire maatregelen, kortom; hij scheld ze verrot. Dat kan dus niet meer. De voorzitter, geestelijk adviseur of de waarnemer van de KNVB luistert aan het sleutelgat mee. Eén ordinair scheldwoord en de boete of schorsing volgt. Binnenkort komt een boekje uit met ’nette scheldwoorden’. Een gat in de markt.


CLUBNAMEN!
Notulen van oprichtingsvergaderingen van voetbalclubs vermelden heftige discussies over de naam van de nieuwe vereniging. Ook de clubkleuren leveren oeverloos gepraat op alvorens men er uit is. Om van al dat gezeur af te zijn, combineerde men in veel gevallen clubnaam en clubkleuren. Bijvoorbeeld: Blauw Wit, Rood Geel, Wit Rood Wit, Groen Zwart, Rood Wit’62, Rood Wit’67 en Geel Wit’28. Een andere makkelijke oplossing voor de naam is de club te noemen naar de stad of dorp, waar de vereniging in wording vandaan komt. Typisch Nederlands zijn de clubnamen gevormd door de beginletters van een serie andere woorden. Een voorbeeld hiervan is de club WVHEDW uit Amsterdam. Zo’n naam kan alleen maar verzonnen zijn door een zeer creatieve geest. Ik was benieuwd hoe de supporters hun favoriet zouden aanmoedigen. Ze hielden het op: ,,Hup WV!’’ Hoewel ik graag had willen horen: ,,Zet hem op WVHEDW en doe er je voordeel mee’’. Overigens bleek het met de creativiteit bij het verzinnen van die naam wel te zijn meegevallen. WVHEDW is het product van een paar fusies: ‘Wilhelmina Vooruit’, ‘Hortus’ en ‘Eendracht Doet Winnen’. EDW (Eendracht Doet Winnen) is zo’n afkorting, die de spelers duidelijk maakt waar het op aankomt. In dit geval dus: eendracht! Er zijn meer voorbeelden van afkortingen, die appelleren aan de inzet, karakter en kameraadschap van de spelers. Daarnaast staan ze vaak voor raadgevingen en opbeurende woorden. Die moeten er in ieder geval mede toe leiden, dat er wordt gewonnen. Afkortingen als MVB (Mooi Voetbal Voor Alles) of SIS (Sterven In Schoonheid) zul je nooit tegenkomen. Wel NOAD (Nooit Ophouden Altijd Doorgaan), wat heel wat vraagt van het uithoudingsvermogen van spelers. Dat geldt ook bij GVO (Gestaag Volharden Overwint). Nog wat voorbeelden? MULO (Met Uiterste Leeuwenmoed Opwaarts), IASON (In Aangename Samenwerking Overwinning Nastrevend) en ESTO (Eendracht Strekt Tot Overwinning). Bij het Goudse DONK beseffen ze, dat er ook permanent getraind moet worden (Door Oefening Naar Kampioenschap). Het kan ook anders, vindt men bij DSK (Door Samenspel Kampioen). Sommige clubs zoeken de kortste weg naar succes, zoals ROHDA’76 (Recht Op Het Doel Af). In Pijnacker doen ze ook niet moeilijk, want OLIVEO betekent: Onze Leus Is Vooruit En Overwinnen. Dat willen ze in Tilburg ook. Daar beseffen ze echter, dat je moet blijven opletten. Vandaar de naam: GUDOK ofwel Goed Uit De Ogen Kijken. Of al die raadgevingen garantie zijn voor winst? Bij het Zegveldse SIVEO (Sport Is Vreugde En Ontspanning) staat dat niet voorop, maar zijn er ook supporters, die de naam zouden willen veranderen in ”Samenspel Is Victorie En Overwinning”.

 
DE HIGH FIVE!
De rituelen rondom en tijdens een voetbalwedstrijd veranderen voortdurend. Uiterlijk vertoon wordt steeds belangrijker. Neem de warming-up. Inlopen en een balletje trappen is al lang niet meer voldoende. Het is een show geworden met sprintoefeningen, positiespelletjes en nog een paar ’steigerungen’ onder het motto ’Kijk eens hoe goed wij bezig zijn!’ Terug in de kleedkamer en nadat iedereen speelklaar is, roept de trainer in zijn nervositeit nog een paar goed bedoelde aanwijzingen, die niet overkomen. Zoals blijkt uit de reactie van de spelers: die slaken een paar indianenkreten en verdwijnen richting veld. Daar zijn in het topvoetbal de spelers verplicht elkaar een hand te geven. Dat gaat in ijltempo, de tegenzin druipt er vanaf. Er moet strijd geleverd worden en dan ben je verplicht om je vooraf al te verzoenen met je tegenstander? Daarna volgt nog een yell - vlak voor de aftrap - in een kringetje, voorovergebogen met de armen om elkaar. Het elftal barst van de goede voornemens, maar zodra de bal rolt, vervagen die snel. Na de eerste verkeerde passes en dekkingsfouten verdampt de kunstmatig (op)gefokte teamgeest. Dan wordt er weer lekker gewoon scheldend gecoacht om elkaar wakker te houden, zoals het hoort. Een doelpunt maakt nog altijd veel emoties los, vooral bij de schutter. Daarbij wordt al lang niet meer gejuicht zoals vroeger: hoi, hoi, hoi en de armen geheven. Gelukkig is het inmiddels verboden om het shirt uit te trekken en er dan als een malloot triomfantelijk mee te gaan lopen zwaaien. Er zijn echter heel wat leuke en irritante alternatieven bedacht zoals buikschuivers, koprollen, heupwiegen, denkbeeldige vreugdeschoten of met beide duimen op zijn rugnaam wijzen. Soms zijn het frustraties, die de schutter drijft. Bijvoorbeeld als hij tijdens de wedstrijd is ingebracht en tegen zijn zin op de bank is begonnen. Dan gaat er vaak een gebalde vuist of geheven vingertje omhoog. En dan vooral niet lachen, maar chagrijnig kijken. Ook de rituelen rond het wisselen zijn gewijzigd. Nog niet zo lang geleden negeerde de gewisselde speler zijn vervanger. Na een geïrriteerde blik of wegwerpgebaar richting coach zocht hij dan diep beledigd en schaamtevol een hoekje in de dug-out om zich te verstoppen. Tegenwoordig omhelzen de gewisselde spelers hun vervanger, geven hem nog een kusje, alles voorafgegaan door een zogenaamde high five, die de ferme handdruk heeft verdreven. Daarna krijgt hij een plichtmatig schouderklopje van de trainer. Om vervolgens de dug-out langs te gaan voor een rondje high five, om de boze buitenwereld te tonen hoe goed de sfeer in de ploeg wel is.


BESCHAAFD SCHELDEN!
Welkom allemaal. Deze vergadering van de supportersvereniging telt slechts één agendapunt: het schelden. En dan in het bijzonder de verbale uitlatingen naar de scheidsrechter toe. Laten wij als echte supporter het goede voorbeeld geven. Vroeger zongen we ”schelden doet geen zeer, maar slaan veel meer!” Dat laatste lijkt me ook niet wenselijk, maar het schelden loopt uit de hand. Natuurlijk hadden we de laatste wedstrijd een eikel van een scheidsrechter. Maar je kunt zo’n hufter ook netjes duidelijk maken, dat hij ons naait. Beschaafd schelden moet kunnen. Beledigen ook, vrijheid van meningsuiting, staat in de grondwet. Maar geen schuttingtaal en enge ziektes. ”Homo”, vind ik geen scheldwoord. Mijn vriend is het daar mee eens. Eindelijk ook erkenning in de voetbalwereld.
Wat onze trainer er soms uitbraakt, kan niet. Iedere keer als hij met zijn stomme kop de dug-out uitkomt, slaat íe op hol. Zoals laatst, toen die kale, kromme scheids tegen ons floot. Hij was blind, net zo erg als die rooie manke, die we een week eerder hadden. Maar da’s nog geen reden om volledig door het lint te knallen. Eigenlijk moeten we op zoek gaan naar een nette oefenmeester, iemand van ons niveau. Misschien gaat dat eerste elftaltuig dan ook weer beter voetballen.
Tot slot wil ik van dat geblèr van onze supporters af. Die zogenaamde spreekkoren. Onverstaanbaar en dus waardeloos. Daarom heb ik de dirigent van het koor gevraagd dat zootje ongeregeld zangles te geven.
Hoe heet die vent, die slijmerd, ook al weer. Het is zo’n engerd. Hij is getrouwd met die slet ...., nou ja, laat maar. We moeten het netjes houden.  
  
 
HET WEGWERPGEBAAR!
Het wegwerpgebaar is veelal bedoeld voor de arbiter. Niet altijd terecht. Net als de doorsnee voetballer moet ook hij het hebben van hard werken, een tikje talent en enig geluk. Tekortkomingen worden gecamoufleerd door bluf, een vlotte babbel, mysterieus zwijgen of door een kaart te trekken. Neem van alles wat en het is meestal voldoende om een wedstrijd tot een goed einde te brengen. Soms vermakelijk, soms ergerlijk en vaak onbegrijpelijk is de ogenschijnlijke willekeur van sommige arbiters in de keuze van het geel of rood. Als het terecht is, hoor je hooguit die blinde fanatici met de clubbril op om hun ziende blindheid te verbergen. De samenwerking tussen scheids en (club)grensrechter, pardon: assistent-scheidsrechter, varieert van intens tot een haat-liefde relatie, dankzij die clubkleurenblindheid. Het is iedere keer weer een verrassing hoe de arbiter het zal doen. Immers hij interpreteert naar eigen inzicht en wijsheid regels en reacties van spelers. De meest vermaarde en eigengereide fluitvogel in mijn actieve voetbalperiode was ongetwijfeld Leo Horn. Als ”aanstormend talent” speelde ik een selectiewedstrijd, die hij leidde. De tribune zat stampvol en rondom het veld stond veel publiek. In het elftal van de tegenpartij liep een verdediger, die op elk fluitsignaal met het bekende wegwerpgebaar reageerde. Leo Horn schonk er ogenschijnlijk geen aandacht aan. Toen de speler vlak voor rust wilde ingooien, floot hij ineens af. Vervolgens deelde hij hem voor een ieder luid en duidelijk hoorbaar mee: ”Meneer, u moet geen ballen inwerpen met die rare, spastische arm. Ga er eens mee langs de dokter.” Toen hij toch de ingooi nam, maakte Horn al fluitend een wegwerpgebaar en gaf ons zonder verdere uitleg een vrije trap. Na de pauze kwam het gebarenmannetje niet meer terug.


DE GOAL!
Voetbalwedstrijden kunnen alleen gewonnen worden als er gescoord wordt. Dat heet tegenwoordig ”doelpunten, een treffer aantekenen, de stand brengen op, raak schieten, doel treffen of een goal scoren”. Lang geleden betekende het woord ”goal” iets heel anders. Bij de vroegste spelen van middeleeuws volksvoetbal, was de goal het voorwerp, waarheen de bal gebracht moest worden om te kunnen winnen. Hoe zo’n voorwerp er uitzag varieerde. In Engeland gebruikte men twee grote molenstenen als goal. Die stonden een paar mijl uit elkaar en wanneer de bal een ervan raakte, had men ”gegoald”. Waarmee de wedstrijd - meestal tussen twee dorpen - gelijk was beslist. Men zei toen niet, dat de winnaar een goal scoorde, maar hij ”goalde” de bal. Veel later werd het speelveld kleiner. Houten palen deden dienst als goal. Men ”goalde” nu niet meer door met de bal een paal te raken, maar door de bal tussen de palen te schieten of te dragen. Ook werd een wedstrijd niet langer beslist door één goal. In het vervolg ging de overwinning naar de partij, die binnen een vooraf afgesproken tijd het vaakst ”gegoald” had. Dat maakte het noodzakelijk de goals te registreren. Dat gebeurde door het snijden van inkepingen in de houten goalpalen. Het ”snijden of  scoren” in de doelpalen leverde de term ”een goal scoren” op. Aanvankelijk bedoelde men daarmee alleen het registreren, later de winnende of scorende actie zelf. Een ”goal scoren” werd de nieuwe uitdrukking voor ”een bal goalen”. Tegenwoordig zegt men, dat een voetballer scoort, wanneer hij de bal tussen de palen schiet of kopt. Het woord ”goal” heeft inmiddels twee betekenissen. Allereerst is het een benaming voor de twee houten of aluminium palen met dwarsligger erop en een net erachter. Daarnaast het in het doel werken van de bal. Goals zijn er in vele soorten. Is die fraai, dan wordt die uitgeroepen tot de goal van de wedstrijd, de dag, de week, de maand, het jaar en zelfs tot goal van de eeuw. Minder fraai is de ”owngoal” ofwel de treffer in eigen doel. Goals worden gemaakt met voet, kop of ander lichaamsdeel of ze waaien spontaan de goal in. Verder kennen we de ”frommelgoal” en daaraan verwant de ”lucky goal”, vaak gescoord door een goaltjesdief. Dat tot groot verdriet van de goalie, zoals de doelman ook wel wordt genoemd. Omdat het woord ”goal” als ”kool” wordt uitgesproken, zou je kunnen zeggen, dat de goalie een kool wordt gestoofd als hij een goal tegenkrijgt. Opmerkelijk is, dat een wedstrijd, waarin niet wordt gescoord niet een ”goalloze wedstrijd” wordt genoemd, maar een ”doelpuntloos gelijkspel”.

naar boven
Alle gegevens onder voorbehoud van typefouten
dsv Concordia – Delft.
Standaardsite gemaakt met website software van Ziber