| Home
DE GESCHIEDENIS VAN ”BLACK DEVILS” NIEUW VENNEP Opgericht 7 november 1921
Voorwoord door Ed Blaak Tot mijn niet geringe verbazing werd ik onlangs geconfronteerd met het feit, dat de Black Devils al 85 jaar oud is en sindsdien in het veteranenvoetbal meedraait. Naar aanleiding hiervan ben ik op zoek gegaan naar de historie van de club. Deze werd mij dankzij zoon Jan Pieter door vader Jaap Ellerbroek aangedragen. Uit het mij ter hand gestelde lustrumboekje ter gelegenheid van het 70-jarige bestaan kwam een uniek beeld naar voren. Uniek, omdat de Black Devils vanaf zijn oprichting uit slechts één elftal bestaat, zelf haar leden uitkiest en nooit een eigen veld en clubhuis heeft gehad. Om niet in een namenweb verstrikt te raken, de belangrijkste personen worden uiteraard wel genoemd, heb ik mij beperkt tot een overzicht, dat mijns inziens alles weergeeft, waaraan de club zijn bestaansrecht ontleent. Hoe het het allemaal begon in november 1921 door Wim van Balen. Uit de archieven van de secretaris en vroegere krantenknipsels blijkt, dat Black Devils ressorterend onder de afdeling Amsterdam van de KNVB op 7 november 1921 is opgericht door onder meer Johan Nielsen, oud-voorzitter van DDV en Bernard van Vlijmen, de bekende portretschilder. De oprichting viel overigens samen met het ter ziele gaan van de bekende vooroorlogse voetbalvereniging RAP uit A’dam. Een nooit geheel bevestigde lezing luidt, dat een veteranenelftal van RAP spelend in een zwarte outfit een nieuwe vereniging onder de naam Black Devils oprichtte. Een vereniging, die uitsluitend op zaterdagmiddag speelde en waarvan het aantal leden nooit meer dan vijftig bedroeg. Jarenlang heeft Black Devils naast het Olympisch Stadion en later in de Watergraafsmeer een veld in onderhuur gehad. Daarna werd gastvrijheid genoten op de velden van NFC te Amstelveen en Rood-Wit in Amsterdam-Noord. De meeste leden van voor de oorlog waren voetballers, die oorspronkelijk buiten A’dam woonden, maar door omstandigheden gedwongen waren, daarheen te verhuizen. Verder werden vele prominente ex-hockeyspelers, ex-tenniscracks, juristen en journalisten lid, die op oudere leeftijd vaak de voorkeur aan het veteranenvoetbal gaven. Op initiatief van de secretaris Jaap Ellerbroek koos Black Devils in 1978 domicilie bij de vereniging DIOS in Nieuw Vennep. Vanaf die tijd worden hier de thuiswedstrijden gespeeld in een unieke onderlinge veteranen competitie. Een competitie, die in 1970 dankzij een initiatief van David Rahusen, de toenmalige secretaris werd opgezet. Aan deze competitie, die geen kampioenen of degradanten kent, wordt deelgenomen door gerenommeerde verenigingen als KHFC (Heemstede), AFC (Amsterdam), HBS en Quick (Den Haag), Hercules en Kampong (Utrecht), VOC (Rotterdam), Concordia (Delft), Victoria (Hilversum) en Sparta (R’dam). Het Instituut ”Black Devils” door Jurriën van der Lip. Voor mij begon het allemaal nogal bruusk begin september 1967, toen éne Henk van Weelde mij verzocht mee te doen met de Black Devils uit tegen Kampong. Op mijn vraag wat de Black Devils dan wel mocht behelzen, had hij kennelijk in het geheel niet gerekend. Toen hij thuis werd bijgebracht, op de canapé gelegen met wat vlugzout, met de verbijstering nog op zijn gelaat te lezen, begreep ik de ”faux-pas” van mijn vraag, zeker na uitleg van zijn echtgenote Ans. Inderdaad, de Black Devils bleek niet zo maar een voetbalclub (daar praten wij immers over), maar veeleer een instituut met meer dan landelijke bekendheid zo werd mij in de praktijk maar al te duidelijk. Voetbal belangrijk? Ja zeker wel en voornamelijk voor de elf zwarte acteurs; voor de geoefende toeschouwer was en is het niet om aan te zien en zo zal het altijd blijven. Maar daar gaat het toch niet om; het gaat om heel andere waarden. Wat is immers mooier en doeltreffender om te kunnen zeggen op de banketten, waar U ongetwijfeld aan zit, dan: ”Ik ben Black Devil”. Poorten gaan open, die voor normale stervelingen gesloten zullen blijven. Het respect, waarmee men U na zo’n opmerking behandelt, is diep, zeer diep. Het belangrijkste? Dat is ongetwijfeld voor elke Black Devil het bijwonen van de jaarvergadering. Ik heb daarbij het voorrecht mogen hebben om onder twee absoluut unieke voorzitters te dienen. Eind zestiger, begin zeventiger jaren was dat ”Pier” Jo Nielsen. Jo zat de vergadering voor als een spiedend veldheer met een tong scherper dan een gillettemesje. Een man van absoluut gezag. De ballotage onder zijn leiding was hard, zo niet keihard en gelukkig volmaakt willekeurig. Na Jo Nielsen werd Dick Hooykaas bevelhebber; andere stijl, andere humor, doch evenzeer een man van absoluut gezag. ”Law and order” was hun beider devies, dat kon toen gelukkig nog in een gedisciplineerde maatschappij. De opvolging krijgt het moeilijk. Amsterdamse club; uiteraard Amsterdamse vergadering; waarom echter niet bijvoorbeeld de vlek Nieuw-Vennep; daar wonen toch vele Devils? Dus vergadering in Nieuw-Vennep; dus glijden we af; beleid wordt soepeler, inspraak, ballotage wordt een eitje, iedereen zegt zijn zegje, ook waar geheel onnodig en bovendien een secretariaat, dat er onbekwaam en functieloos bijzwabbert. Kortom het virus democratie slaat ook in onze gelederen toe. Er is echter een grens. Black Devils na de tweede wereldoorlog door Ton Lubbers. De eerste jaren na de tweede wereldoorlog was de tijd van Jo (voorzitter) en Harald (secretaris) Nielsen, Jaap van de Grampel (penningmeester), Frans en Wim (alias Kapo) da Costa, Nico (AFC) Holtzapfel, Freddy Warendorff, mijn te jong overleden broer Bert, Huib Blaisse, Van der Feltz, Plenter, Hans van Swol, Povel, Henk Warners e.a. Ik was keeper ofwel man onder de lat. Vooral in die laatste kwaliteit genoot ik vertrouwen van Truid Blaisse-Terwindt (met wie ik één jaar de kleuterklas deelde; toen doubleerde ik wegens gebrek aan vaardigheid in matjesvlechten en ging zij naar de lagere school), immers die lat rustte op twee doelpalen, bij uitstek geschikt voor het vastknopen van het lange touw, waaraan opeenvolgende kindertjes Blaisse mochten spelen. Inderdaad, tijdens de wedstrijd. Mijn keeperstrui was door mijn kersverse echtgenote nog tijdens de bezetting gebreid en de kwaliteit van de wijnrode wol was ernaar. Van wasbeurt tot wasbeurt zakte die trui verder uit naar beneden, totdat mijn broer zich tolk van de vereniging maakte en mij gebood mijn tenue te moderniseren. Dat kon hij zich veroorloven, want we hadden net aan de Spanjaardslaan van de HFC (toen nog zonder K) veteranen gewonnen en die waren zo gastvrij om mij als de schuldige aan te wijzen. Nu kan de lezer rustig verder, méér eigen roem komt in dit stukje niet voor. Mijn slechtste ervaring stamt uit Driebergen, waar wij speelden tegen een derde klasser uit het eind jaren veertig nog onbezoldigde KNVB zondag clubvoetbal. Het was, als ik mij goed herinner, vlak vóór het begin van de competitie en onze tegenpartij nam de oefenwedstrijd serieus op. Dat betekende tal van vuiligheidjes, waarmee wij tegen de vaak uit bemanningen van Noorse schepen in de Amsterdamse haven samengeraapte elftallen geen enkele ervaring hadden. Die Noren speelden wel hard, maar zonder de gemene trucs, die tot het arsenaal van onze tegenstanders in deze friendly game bleken te behoren. In de tweede helft zette bij een hoekschop op mijn doel hun middenvoor zijn knie zo ongenadig in mijn maagstreek, dat ik ter aarde naar adem hapte. Een zéér hoge KNVB Bobo heeft ooit gewaagd de juistheid van dit verhaal in twijfel te trekken. De Black Devils waren niet ”aangesloten” en tegen zulke wilde clubs mochten reguliere KNVB verenigingen toch helemaal niet spelen. Hoe dit ook zij, mijn ademnood was volstrekt authentiek. Tegen HBS veteranen op het oude Houtrust eindigde de strijd, die zich geheel voor het HBS doel afspeelde, voortijdig bij een fikse voorsprong. In de tweede helft kwam de mist in manshoge rollen over het veld, ik had nog een zicht van hooguit tien meter, mijn achterhoede was al geruime tijd aan mijn blikveld onttrokken. Een béétje terugspeelbal had een doelpunt kunnen zijn. Maar mijn collega aan de overkant voelde zich al zo gepasseerd, dat we er maar mee ophielden. De nul had ik vastgehouden, de bal amper. Een groots moment en daarmee besluit ik, was een wedstrijd tegen Ajax veteranen (onder wie een enkele bekende uit het vooroorlogse eerste) op hun hoofdveld in De Meer. Er gebeurt altijd wat, in De Meer. Inderdaad, we waren nauwelijks begonnen of op het veld met die enorme afmetingen verkeek ik mij in grote stijl op een hoekschop, 1-0. Bij mijn herinnering hebben onze veldspelers nooit beter gespeeld en volgehouden dan dié zaterdagmiddag tussen de tribunes en zo bleef het 1-0, een allerminst onverdienstelijke score, tot vlak vóór tijd. Toen maakte (Be Quick) Plenter, onze midvoor, zowaar zelfs de gelijkmaker en gelijk bleef het tot het spoedig verlossende einde. We hadden voor lege tribunes een topprestatie geleverd, vonden we zelf. Toen bleek het grote voordeel van lege tribunes: niemand, die ons tegensprak. De ”revival” van de Black Devils in de jaren vijftig door Kiek Giltay Veth. Mijn oudste herinneringen aan de Black Devils dateren uit de jaren dertig. In 1937 werd ik lid van HFC en al spoedig bracht ik daar in het voetbalseizoen de woensdagmiddag, de zaterdagmiddag en een deel van de zondag door om te voetballen of te kijken. En zo af en toe zag ik de HFC veteranen. Natuurlijk waren ook de Black Devils aan de Haarlemse Spanjaardslaan te gast. Hoe het na afloop toeging, weet ik niet, HFC had in die tijd nog geen afgesloten clubruimte hoe bescheiden ook. Ik denk, dat het met de gezelligheid na de wedstrijd naar huidige maatstaven maar povertjes was gesteld. Nadien verdwenen de Black Devils voor wat mij betreft uit beeld. Totdat op zekere dag in de jaren vijftig mijn oude vriend David Rahusen mij belde en vroeg of ik met hem op zaterdag bij de Black Devils wilde gaan voetballen. Dat kwam heel goed uit, want de animo om bij een of ander HFC elftal op zondag van de partij te zijn en (als Amsterdammer) pas op zondagochtend vroeg in Haarlem of nog verder weg te horen krijg, dat je partijtje was afgelast, was wel gering geworden, bij ons beiden. Het bleek, dat de Black Devils onvoldoende leden hadden om nog geregeld de van de oprichting af gebruikelijke ”friendlies” te kunnen spelen. Echter, twee nieuwe leden was absoluut veel te weinig. En zo kwam het ervan, dat David, waarbij ik hem soms een handje hielp, een fiks aantal HFC-ers voor onze zwarte duivels wist te winnen. Zodoende konden de Black Bevils weer hun partijtje meeblazen. De jaarvergaderingen in de blauwe zaal van Americain waren hoogtepunten, met telkens in een glansrol voorzitter Jo Nielsen, Harald Nielsen en Hans van Swol als het ging om de inauguratie van nieuwe leden. David Rahusen trad al meteen toe tot het nieuwe bestuur, met de opdracht gewoon in zijn eentje alles te doen wat nodig was. Dat werd dan wel gemaskeerd door een uiterst vage omschrijving van zijn taak, zoiets als tweede secretaris in opleiding. Waar speelden we en tegen wie? Van de velden herinner ik me, dat we eerst een veld huurden in Zandvoort van TZB, op de toegangsweg naar de Kennemer Golfclub, later in Blaricum, ook speelden we een tijd bij NFC in Amstelveen en in Amsterdam Noord alvorens definitief neer te strijken voor onze thuiswedstrijden in Nieuw Vennep. Onze tegenstanders waren A.FC, H.FC, V.O.C, Concordia, Victoria, U.D, Robur et Velocitas, HVV, HBS, Kampong, maar ook tal van andere combinaties zoals die van KLM vliegers, advocaten enzovoorts. David wist al vrij gauw een reguliere competitie te realiseren. De belangstelling voor recreatief voetbal op zaterdag was groot, vooral toen de vrije zaterdag er was gekomen. Zelf haakte ik als speler te vroeg af, eind jaren zestig. Na een winter van gekwakkel met de gezondheid besloot ik de kicksen aan de wilgen te hangen. Hoogtijdagen waren de jubilea. We vierden het 35-jarig bestaan voetballend in het Olympisch Stadion in september 1956, met een onderlinge wedstrijd. Voor menigeen was dat de laatste keer van eigen voetbalactiviteit. In 1961 werd het 40-jarig bestaan binnenskamer gevierd met een diner bij Atlanta aan het Westeinde in Amsterdam. In 1981 werd het 60-jarig bestaan gevierd, met Dick Hooykaas als voorzitter in een grootse rol bij het diner. Helaas was dit zijn laatste presentatie in onze kring. Slechts een week later kwam hij volkomen onverwacht te overlijden. Veel is veranderd, veel bleef bij de Black Devils toch gelijk. Het deed mij in ieder geval machtig veel deugd in 1989 te ervaren in De Rustende Jager, dat de vergaderingen onder leiding van Jur van der Lip en met Jaap Ellerbroek in de zo lang door David Rahusen vervulde rol verliepen met alle kolder van vroeger. In de kern was de sfeer nog als in de jaren vijftig en daarna. Het moge nog vele tientallen jaren zo blijven! De jongste jaren (1972 - 1991) door Jaap Ellerbroek. Negentien jaar speel ik nu bij de Black Devils. Een record? In ieder geval een verplichting om aan de geschiedschrijving deel te nemen. Daar gaan we. Ik maakte mijn debuut in de tijd, dat Wil van der Smagt, Jur van der Lip en Roef Hoeffelman de dienst uitmaakten, ieder op hun eigen manier. Wil regelde de ontelbare invallers, die hij op vrijdagavond in het café ontmoette. Hij stuurde ze meestal naar verschillende terreinen, zodat we altijd met tien man op het veld stonden. Jur maakte oorlog in de zestien meter, zoals de trendy journalisten van tegenwoordig zouden zeggen. Hij schreeuwde, schopte en was nooit te beroerd om ook buiten het strafschopgebied een mep uit te delen, kortom een man naar het hart van Michels. Roef verzorgde het beschaafde element, hij was van HVV afkomstig en kankerde elitair, vooral tegen Paul van den Hoek, die eigenlijk ook wel netjes wilde worden, maar altijd onverbiddelijk door de mand viel, wanneer hij kwaad werd. Nico van der Lee (ex-HFC) straalde in het doel met het aureool van het Nederlands Amateur-elftal, maar was bovendien gezellig. Paul Heidinga speelde toen ook al, echter nog niet als de majestueuze laatste man, die hij later zou worden en nu weer niet meer is. Het was al met al een tamelijk heterogeen gezelschap, wel met het klassieke kakofonische gekanker van de Black Devils en ook met de vernietigende grollen tegen de nieuwkomers, maar toch niet echt gezellig, het leek wel of de sleet er een beetje in zat. Onvergetelijk en van groot allure waren echter toen al de jaarvergaderingen. Bij mijn eigen ”inauguratie” verscheen ik voor het vuurpeloton van circa 30 man oude glorie, die ik nog nooit had gezien, joelend, vlijmscherp en oergezellig. Dokter Hans van der Swol (oud-tenniskampioen) verordonneerde me de broek even te laten zakken voor de ”keuring”, mijn manmoedige weigering ”ik laat me op deze leeftijd niet meer voor Jan Lul zetten!” kostte me een gigantische drankrekening en bijna het lidmaatschap. Dit alles onder leiding - wat heet: directie, regie! - van voorzitter Hooykaas, in normale doen een aardige, bedaarde en zelfs wat saaie man, die zich echter achter de bestuurstafel tot een kruising van Wim Kan en Toon Hermans ontpopte. Maar zoals gezegd: het elftal versnipperde steeds meer. Wil van der Smagt was inmiddels op de Amsterdamse jet-set uitgekeken en droeg zonder veel plichtplegingen het regelaarschap aan mij over. Ik heb toen de knoop maar doorgehakt en in 1978 ons thuisterrein verplaatst van het Noord-Amsterdamse en ongezellige Rood-Wit naar het knusse DIOS in mijn woonplaats Nieuw-Vennep. Daar beschikte ik vanuit de kennissenkring over een bron van weinig talentvolle, maar zwaar gemotiveerde spelers. Gevoegd bij de uitgedunde, doch harde kern van de zeventiger jaren bleef deze groep 12 jaar bijeen. Slechts een enkeling voelde zich niet aangesproken door de typische, onderlinge conversatietoon van de Black Devils en verdween gepikeerd. Kenmerkend was, dat niemand ooit zijn best deed om via een goed gesprek te kijken of geestelijk leed van de dissident viel te repareren. Inmiddels was Pierre Heyboer de vaste opvolger van Nico in het doel geworden, een stijlvolle doelman van Limburgia, die geen bal beneden kinhoogte liet gaan, en die zich onvervaard voor de voeten van inlopende aanvallers stortte, maar die even rustig alle hoge voorzetten liet lopen onder de legendarische uitspraak: ”ik kan me in mijn beroep geen hersenletsel veroorloven!”. Pierre was dan ook journalist. Hoe moet ik alle herinneringen ordenen? Wat was de rode draad? Was er een concept? Waren er dominante leiders? Nee, nee, nee! Er was geen rode draad, geen strategie, wel elf spelbepalers, en vooral: grappen, grappen en grappen! O ja, er werd best aardig gevoetbald. Sportleraar en natuurtalent Jan van der Maarl schoot met zijn dikke polderdijen een aantal keepers genadeloos het ziekenhuis in. Frans Koerts, de ”horzel”, die als mandekker voor hoogbegaafde tegenspelers werd ingezet. Zij raakten psychisch geheel gestoord, omdat Frans nooit hun schijnbewegingen begreep en steeds weer met zijn ludieke ganzetred voor hun neus stond. Jan van Veen nam het aanvoerderschap van mij over en betoonde zich een voorbeeldige schoolmeester: geduldig, vriendelijk, meegaand, en dan plotseling tot verbijstering van iedereen warmbloedig op de vuist met Jan ”de Boef’” van Concordia. Wil van der Smagt geraakte in de herfst van zijn voetbalbestaan en beperkte zijn inbreng tot het als een oude circusartiest demonstreren van zijn beroemde ”knie-stop” gevolgd door de ”Weense schaar”. Vrouwen en kinderen aan de zijlijn kirden dan verrukt, maar invloed op de voortgang van het spel had dit optreden niet meer. Wim van Balen kan nog steeds prachtig voetballen: snel en hard (”mannen, dit is geen spel voor jonge juffrouwen!”), als een maaimachine dwars over het veld, en zoals een echte vedette betaamd met grote minachting voor samenspel. En dan ons aller Floor Vriesendorp, HBS stofzuiger van weleer, op vrijdagavond het KLM personeel in New York de jumbo injagend om toch vooral de volgende dag present te kunnen zijn (”voor een halve wedstrijd trek ik mijn broek niet uit”). Penaltyspecialist Cees Broekhoven, die met gesloten ogen, het voorhoofd nat van de stress, de bal oerhard en consistent drie meter over de lat kon jagen. Rob Liefbroer, met zijn lugubere, doch effectieve verbale oorlogvoering tegen keurige en goedwillende rechterspitsen, naast de vriendelijke architect Harry van Rijn, altijd bereid tot een gratis verbouwing van een vijandelijk been. Een van de betere voetballers was aanvankelijk Lucien ”Het Kind”. Hij speelde op zondag in de Hondekoppen van KHFC, maar verscheen regelmatig voor het geven van een bijles bij de Black Devils, totdat zijn snelheid inmiddels zo was afgenomen, dat hij de klas niet meer kon overzien en hij op de laatste bank met pensioen is gegaan. Rob Back en Paul Smits, soms tijden zoek, maar dan plotseling weer als pinchhitters beschikbaar. En nog jarenlang Dick Hooykaas als voorzitter, je zag hem nooit behalve als er gesproken moest worden. ”Nee Jurjen, jij kan dat nog niet, daar ben je nog te jong voor”. ”Nee Roef, houd die Xerox prullen maar in je tas, het is bij de Black Devils geen gewoonte om ooit enig lid enig inzicht in de financiën te geven!”. Plotseling was hij dood, we schrokken enorm, was Dick dan toch niet onsterfelijk? Gelukkig verscheen uit de schaduw van de Grote Roerganger de huidige voorzitter Jur van der Lip, jarenlang ”in-opleiding” (zoals alle bestuursleden van de Devils), maar nu nadrukkelijk en dominant heersend over het huidige zootje ongeregeld. Hoe is het mogelijk? Zeventig jaar ongeregelde zootjes, soms bijna geen leden, geen reglementen, geen bestuursverkiezingen, geen stichting, geen ledenraad, geen promotie of degradatie, geen trainer of coach en dan toch springlevend. Ik ken het geheim ook niet, maar ik weet wel de opdracht aan de helaas nog zo onvolwassen nieuwe generatie: HOUDEN ZO!’ Bespiegeling van een ”tegenstander” door Jan van der Burg (Hercules) Van de euforie tijdens het Groningse Be Quick toernooi in mei maakte Wim van Balen slim gebruik door mij te vereren met de opdracht: ”Hoe kijkt één der nestoren van de landelijke veteranencompetitie aan tegen de ’Black Devils? Een reis door de geschiedenis van deze cohorte. Namen en personages verschijnen voor het geestesoog. Van David Rahusen, de ’Vader” van deze competitie tot Jan van Veen. Van Dick Hooykaas - door ons aller Lex von Oven hardnekkig Daan genoemd - tot Jaap Ellerbroek. Maar ook nergens te plaatsen figuren als Jur van der Lip en Wil van der Smagt. Wat deed mijn kompaan voor het leven Jules Hoefnagels besluiten in Driebergen te gaan wonen? Wil hij de herinnering bewaren aan het ”Grote Bos”, waar wij na menige wedstrijd ’Black Devils’ versus ’Hercules’ in dat zomerhuis belandden? Bij gebraden kippen en veel drank kregen de liederen van eigenaar John Back meer klank en de toespraken van Arie van Beekum een diepere betekenis. Een combinatie van factoren, die de vroege nevel extra verdichtte. ’Black Devils’, een gezelschap, een gemeenschap of zo maar een vreemd clubje? Een non-organisatie, die het presteert decennia lang met één team op de been te blijven. Een continuïteit, waarvan ’bestuurders’ van elkaar niet weten, waarmee zij bezig zijn, als ze al bezig zijn. Met een jaarvergadering, die naar onze indruk, het midden houdt tussen een bijeenkomst van aandeelhouders en een klassenavond. Een uniek gegeven. Uniek vooral, omdat men erin slaagt het ondefinieerbare over te brengen op jongere representanten. De charme van deze jeugd deed het landelijk overleg eindelijk besluiten de ’Devils’ te zien als serieuze gegadigden voor onze toernooien. Menig team zal hen echter als gastspelers missen, te meer daar wij in dat zelfde Groningen de indruk kregen, dat zij als ”Vreemdgaanders” meer te bieden hadden. Mogelijk hebben zij het zeer charmante thuisfront te lang buiten ons gezichtsveld gehouden. Het moge duidelijk zijn, dat de ’Devils’ een hartelijke dankbetuiging en gelukwens van alle veteranen van toen en nu meer dan verdiend hebben.
Top
|
Alle gegevens onder voorbehoud van typefouten dsv Concordia – Delft. | |